Sprak de slang de waarheid?
Sprak de slang de waarheid?
Het is een ongemakkelijke vraag.
In Genesis 3:4 en 5 zegt de slang tegen de mens:
‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, en dat jullie dan als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’ (NBV21)
De slang zegt twee dingen:
“Jullie zullen helemaal niet sterven,” en “Dan zullen jullie als God zijn en kennis hebben van goed en kwaad.”
Op het eerste gezicht lijken deze woorden waar en dat is waarom die woorden kunnen schuren.
Adam en Eva vallen niet dood neer. Hun hart blijft kloppen. Hun adem stopt niet. En ja, ze gaan goed en kwaad kennen. God zelf zegt het zelfs:
‘Nu is de mens aan Ons gelijk geworden,
nu heeft hij kennis van goed en kwaad.’ (Genesis 3:22 NBV21)
Dus: sprak de slang de waarheid?
Het antwoord is: ja … en nee.
Ja, de mens is goed en kwaad gaan kennen. Maar niet zoals God kent. God kent het kwaad zonder eraan onderworpen te zijn. Wij leerden het kennen door het te dragen.
De leugen zat niet in het feit, maar in de belofte. Want wat de slang niet zegt, is dat deze kennis geen verrijking is, maar een last. Geen verheffing, maar verscheurdheid.
Wat betekent ‘kennen’ eigenlijk?
Wij lezen “kennen van goed en kwaad” vaak als morele kennis: weten wat goed is, weten wat fout is. Maar in de Bijbel is kennen nooit alleen verstandelijk. Het is ervaringskennis. Van binnenuit.
Goed en kwaad kennen betekent:
- het goede herkennen
- het kwade herkennen
- én beide in jezelf ervaren
Niet meer los van wie je bent, maar onderdeel van je innerlijke strijd.
De zondeval maakte ons niet moreel bewust, maar innerlijk verdeeld. Omdat we sindsdien niet alleen leven met goed en kwaad, maar het ook dragen.
Voor de zondeval leefde de mens in het goede. Niet reflecterend, niet twijfelend, niet strijdend. Na de zondeval werd het onderscheid naar binnen gehaald. We beoordelen, wegen, twijfelen, veroordelen, verontschuldigen.
Altijd dat innerlijke gesprek. Altijd die spanning.
Paulus verwoordt het later messcherp:
‘Want ik doe niet wat ik wil, het goede, maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’ (Romeinen 7:19 NBV21)
Dat is de menselijke conditie sinds Genesis 3.
Jullie zullen helemaal niet sterven
Ook dit is geraffineerder dan het klinkt.
Adam en Eva leven verder, ze krijgen kinderen en ze bouwen een bestaan op. Maar iets sterft onmiddellijk. Namelijk hun onschuld, openheid, rust en innerlijke eenheid.
Ze schamen zich.
Ze verbergen zich.
Ze schuiven de schuld af naar elkaar.
Ze raken zichzelf kwijt.
De dood begint niet bij het lichaam, maar van binnen.
Dat is sterven terwijl je leeft.
Gods barmhartigheid
Juist daarom is het zo bijzonder wat God daarna doet.
Hij laat de mens niet eeuwig leven in deze staat. Niet eindeloos met schuld, schaamte, een verscheurd verlangen en met herinneringen die blijven knagen. Hij sluit de toegang tot de boom van het leven. En later beperkt Hij de levensduur van de mens.
Dat wordt vaak gelezen als straf. Maar je kunt het ook zo zien: God laat de mens niet eindeloos kapotgaan.
Een oneindig leven in innerlijke verdeeldheid zou geen zegen zijn, maar een verlengde dood.
Begrenzing wordt bescherming. Tijd krijgt een einde, zodat het lijden dat ook krijgt.
✧Vragen, vragen, vragen ✧
✧ Andere Series ✧
✧ Nog Meer Lezen ✧
✧ Even Iets Anders ✧














